Brief van de prelaat (november 2016)

Met het oog op de naderende sluiting van het Jaar van Barmhartigheid moedigt de prelaat ons aan om "persoonlijk de barmhartigheid van God aan te nemen en zo de anderen aan te nemen: leeft gericht op hen".

Pastorale brieven en berichten
Opus Dei - Brief van de prelaat (november 2016)

Mijn geliefde kinderen, moge Jezus jullie behoeden!

Er is al bijna een jaar voorbij sinds de Paus de Heilige Deur heeft geopend, eerst in hartje Afrika en daarna in de Sint Pieter. Nu het einde van dit jubeljaar nadert, dat zal worden afgesloten op het Hoogfeest van Christus Koning, de 20e van deze maand, denken wij terug aan de dingen die er in de hele wereld zijn gebeurd. De belangrijkste hebben ongetwijfeld in de intimiteit van iedereen met de Heer plaatsgevonden. Alleen God weet hoeveel personen teruggekeerd zijn om, misschien na vele jaren van verwijdering of lauwheid, met Hem verzoend te worden.

In de loop van deze maanden hebben wij getracht het mysterie van de Liefde van God dat in de schoot van de Kerk verborgen ligt, opnieuw te ontdekken. De goddelijke barmhartigheid vult werkelijk heel de aarde, zoals de wateren de onmetelijke uitgestrektheid van de oceanen vullen. En opnieuw hebben wij in de Heilige Schrift – in de profeten en in de psalmen, bovenal in het evangelie –, in de liturgie, in de volksvroomheid… die barmhartigheid gezien. We hebben haar eveneens gemerkt in ons leven: een blik op ons eigen bestaan is voldoende om vol verwondering te ontdekken van hoe nabij de Heer met ons is omgegaan en met ons omgaat, vanaf het moment dat Hij ons door het doopsel bij de Kerk heeft ingelijfd en zelfs al eerder.

Jezus Christus heeft ons een duidelijk onderricht nagelaten in het 15e hoofdstuk van het evangelie van sint Lucas. Daar worden drie parabels van Hem over de goddelijke barmhartigheid verteld: die van het verloren schaap, die van de drachme die kwijtgeraakt was en die van de verloren zoon. De heilige Ambrosius zegt hierover: «Wie is deze vader, deze herder en deze vrouw? Stellen zij soms niet God de Vader, Christus en de Kerk voor? Christus draagt jou op zijn schouders, de Kerk zoekt je en de Vader ontvangt je. De ene, omdat Hij herder is, steunt je onophoudelijk; de andere neemt je als een Moeder aan en zoekt je zonder ophouden; en dan trekt de Vader je een nieuw kleed aan. De eerste door zijn barmhartigheid; de tweede door voor je te zorgen; en de derde, door je met Hem te verzoenen.»[1]

Deze maanden hebben ons geholpen onze liefde voor God en voor de anderen nieuw leven te geven, juist daar waar deze een beetje verzwakt was. Misschien hebben wij ontdekt dat er nog veel plooien in onze ziel zijn waarin dit aspect ontbreekt; en dat mag ons niet verbazen, want de oproep om “barmhartig als de Vader” te zijn is een uitnodiging voor ons hele leven.

De sluiting van het Heilig Jaar is dus geen eindpunt om vervolgens tot iets anders over te gaan, maar een vertrekpunt om met een hernieuwd enthousiasme vooruit te gaan op onze christelijke weg. Vanaf het doopsel bezitten alle christenen het gemeenschappelijk priesterschap dat ons ertoe brengt de barmhartigheid met de diepe zin van het goddelijk kindschap te beoefenen. De heilige Jozefmaria heeft erop aangedrongen dat men in alle mensen zijn broeders moet zien, aan wie wij een oprechte liefde en onbaatzuchtige dienstbaarheid verschuldigd zijn.[2] Dit is de boodschap van de Paus, een paar weken vóór de sluiting van dit jaar met bijzondere genaden. Het is niet voldoende de barmhartigheid van God in ons eigen leven te hebben ervaren; iedereen die haar ontvangt moet ook een teken en instrument voor de anderen worden. De barmhartigheid is bovendien niet alleen bedoeld voor bijzondere momenten, maar omvat heel ons dagelijkse bestaan.[3]

Daarom stel ik mezelf de vraag, en moedig ik jullie aan je ook af te vragen: wat is er na afloop van dit Heilig Jaar in ons overgebleven? Zijn we meer doordrongen geraakt van de overtuiging dat God vol tederheid, vol oneindige liefde, als een Vader naar ons kijkt?[4] Is die Liefde van God, die in Christus getoond wordt, meer aanwezig in de dagelijkse omgang met de anderen: in ons gezinsleven, in ons beroepswerk, in de bezoeken aan de armen en in de hulp aan degenen die lijden? Houden wij de hoop levend dat de Heer, ondanks onze vergissingen, verlangt dat wij door ons gedrag zijn barmhartigheid aan anderen overdragen? Het is heel goed dat wij, zoals onze Moeder de Allerheiligste Maagd Maria deed, deze dingen overwegen en in ons hart bewaren.

Ik ben zo vrij jullie twee suggesties te doen om, iedere keer vastbeslotener, vooruit te gaan in deze richting waartoe de Heilige Geest de Kerk inspireert. In zekere zin zijn ze een samenvatting van de weg die we gedurende deze maanden hebben afgelegd en ze kunnen ons helpen de lichten van dit Heilig Jaar in onze ziel brandend te houden. Ik wil daarom voorstellen dat ieder persoonlijk de barmhartigheid van God aanneemt en zo de anderen aanneemt: leeft gericht op hen.

Op de eerste plaats zelf de barmhartigheid van God aannemen: hier hangt alles van af. Wanneer wij ons realiseren dat God de omstandigheden en bezigheden zo bepaalt dat ze ons dichter bij Hem brengen, groeien onze vroomheid en apostolische ijver. We laten ons gemakkelijker in de handen van Jezus Christus, met sportiviteit in onze innerlijke strijd en met hernieuwde verlangens om veel zielen tot Hem te doen naderen, met een vreugde die niets of niemand kan verstoren.

De liefde van God is zowel eisend als vol kalmte. Eisend, omdat Jezus het Kruis op zijn schouders heeft gedragen en wil dat wij Hem over deze weg volgen en met Hem meewerken opdat de vruchten van de verlossing iedereen bereiken. Vol kalmte, omdat Jezus onze beperkingen heel goed kent en ons beter leidt dan de meest begripvolle van alle moeders. Niet wij zijn het die de wereld met onze inspanning zullen veranderen: dat zal God doen, die in staat is de harten van steen te veranderen in harten van vlees.

De Heer eist niet dat wij ons nooit vergissen, maar dat we altijd opstaan, zonder in onze vergissingen te blijven hangen; dat we over deze aarde voortgaan met de rust en het vertrouwen van kinderen. Laten we vaak deze tedere woorden van sint Jan overwegen: wij mogen vóór zijn aanschijn ons geweten geruststellen, ook als het ons veroordeelt, want God is groter dan ons hart en Hij weet alles.[5] De innerlijke vrede behoort niet toe aan wie denkt alles goed te doen, noch aan degene die geen moeite doet om lief te hebben: ze ontstaat in de mens die zelfs wanneer hij valt, in de handen van God terugkeert. Jezus Christus is niet de gezonden komen zoeken, maar de zieken.[6] Hij stelt zich tevreden met een liefde die ondanks de misstappen van de mensen iedere dag wordt hernieuwd, omdat ze hun toevlucht nemen tot de sacramenten als de onuitputtelijke bron van vergeving.

De barmhartigheid zet ons er ook toe aan de anderen te accepteren, onze aandacht op hen te richten. We zijn in staat barmhartigheid door te geven als wij die van God hebben ontvangen. Zo «kan de christen, na barmhartigheid en een overvloed van rechtvaardigheid te hebben verkregen, medelijden met de ongelukkigen hebben en voor de andere zondaars bidden. Hij wordt zelfs voor zijn vijanden barmhartig».[7] Alleen Gods grootmoedige begrijpen «is in staat het verloren goed terug te krijgen, het begane kwaad te betalen met het goede, en nieuwe krachten van rechtvaardigheid en heiligheid voort te brengen».[8]

Het ontbreekt niet aan gelegenheden waarin de last van het werk of van de moeilijkheden ons hart een beetje zouden kunnen verdoven, zoals de dorens die het goede zaad verstikken. God maakt ons hart ontvankelijk en gevoelig opdat wij ons open stellen voor de anderen, niet alleen bij hun problemen of tragedies, maar ook in de vele kleine dingen van iedere dag. Daar is een oplettend hart voor nodig dat geen belang hecht aan wat dat in werkelijkheid niet heeft, en dat zich inspant om wel belang te hechten aan wat werkelijk van belang is, maar wat misschien onopgemerkt blijft. God roept ons niet op om samen te leven met de anderen, maar om te leven vóór de anderen. Hij vraagt van ons een liefde vol genegenheid die ieder met een oprecht gemeende glimlach tegemoet gaat.[9]

Laten we daarom altijd onze toevlucht nemen tot het gebed, in het bijzonder wanneer wij denken dat wij niet met een situatie of persoon overweg kunnen, om de Heer de hindernissen die wij op onze weg tegenkomen toe te vertrouwen. Laten we Hem smeken ons te helpen ze te overwinnen, er niet te veel belang aan te hechten. Laten we Hem vragen ons een liefde naar de maat van zijn Liefde te schenken, op voorspraak van Maria, Mater misericordiae.

De Paus sprak op zijn apostolische reis naar Polen over het evangelie als het levende boek van de barmhartigheid van God. Dit boek, zei hij, heeft aan het eind nog onbeschreven bladzijden: het is een open boek, en wij zijn geroepen het in dezelfde stijl te schrijven, dat wil zeggen, door werken van barmhartigheid te verrichten.[10] En hij besloot: iedereen van ons bewaart in zijn hart een allerpersoonlijkste bladzijde van het boek van de barmhartigheid van God.[11] Laten wij vol enthousiasme de bladzijden die God aan ieder van ons heeft toevertrouwd volschrijven, zonder ontmoedigd te raken door de doorhalingen en vlekken die onze onhandigheid bij het schrijven heeft veroorzaakt. Door de goedertierenheid van God is de Heilige Geest in onze ellende aanwezig, want als ik zwak ben, dan ben ik sterk.[12] Door de genade van Christus worden wij sterk en zo kunnen wij doorgeven wat wij hebben ontvangen.

Bij deze oplettende dienstbaarheid jegens de anderen mogen wij – in het bijzonder op de 2e november en gedurende de hele maand – niet dat discrete werk van barmhartigheid vergeten dat God zo aangenaam is: het gebed voor de overledenen. Ik vraag de Heer voor iedereen de genade om de Gemeenschap van de heiligen met alle zielen te beleven: met de overledenen die onze gebeden nodig hebben, met degenen die reeds de hemelse zaligheid genieten en met degenen die hier beneden hun pelgrimstocht voortzetten, te beginnen bij de Paus en zijn medewerkers, tot wij alle mensen in ons gebed insluiten, in het bijzonder degenen die de gemeenschap van de heiligen het meest nodig hebben.

Ik kan niet eindigen zonder God te danken voor de recente diakenwijdingen in de Prelatuur: laten wij voor hen en voor de gewijde bedienaren in de hele wereld bidden. Tegelijkertijd hernieuw ik mijn dankbaarheid voor de vruchten van de pastorale reis die ik twee weken geleden naar de nieuwe regio van Finland en Estland heb gemaakt. Bidden wij voor de Kerk daar en in de andere landen van Noord-Europa. Ik zou jullie graag in detail vertellen hoe enthousiast de heilige Jozefmaria – en ook onze zeer geliefde don Álvaro – waren om het Werk in die landen te beginnen. Ik nodig jullie uit daarover in de tijden van gebed voor het Tabernakel na te denken. En moge onze meest oprechte dank ten hemel stijgen op de datum waarop het Werk tot personele Prelatuur is verheven.

Met alle genegenheid zegent jullie

jullie Vader

+ Javier

Rome, 1 november 2016

_______________________________________________________________________

Copyright © Prælatura Sanctæ Crucis et Operis Dei



1. Heilige Ambrosius, Traktaat over het Evangelie van sint Lucas VII, 209 (PL 15, 1755).

2. Heilige Jozefmaria, Gesprekken, nr. 29

3. Paus Franciscus, Toespraak bij de algemene audiëntie, 12-10-2016.

4. Heilige Jozefmaria, De Smidse, nr. 331.

5. 1 Joh 3, 19-20.

6. Vgl. Mt 9, 13.

7. Heilige Cromacius van Aquileia, Preek 41, 5, over de zaligsprekingen (CCL IX A, 177).

8. Zalige Paulus VI, onuitgegeven manuscript, in het Instituut Paulus VI, Notiziario 71 [2016], 7-8 (ook gepubliceerd in de Osservatore Romano, sept. 2016).

9. Heilige Jozefmaria, De Smidse, nr. 282.

10. Paus Franciscus, Homilie, 30-7-2016.

11. Ibid.

12. 2 Cor 12, 10.brief november 201620161107-104014.pdf