Homilie Mgr. Fernando Ocáriz bij plechtige installatie als prelaat Opus Dei

Na de benoeming door Paus Franciscus, heeft op 27 januari 2017 in de prelaatskerk van Onze Lieve Vrouw van de Vrede de plechtige installatie plaatsgevonden van mgr. Fernando Ocáriz, prelaat van het Opus Dei.

Van de prelaat
Opus Dei - Homilie Mgr. Fernando Ocáriz bij plechtige installatie als prelaat Opus Dei

Benedictus Dominus qui dedit requiem populo suo. Gezegend zij de Heer, die zijn volk rust verleend heeft (1 Kon 8, 56). Deze woorden, die wij in de eerste lezing hebben gehoord, hadden betrekking op het volk van Israël en nu kunnen wij ze aanwenden om de Heer te danken voor de vrede die de eenheid van het Werk ons geeft. De eenheid van het Werk die de Heer ons geeft, we hebben deze aan Hem te danken, de eenheid die de bron is van de ware vrede.

Tegelijkertijd beseffen wij, en daarvan moeten we ons altijd bewust zijn, dat Jezus zelf deze vrede is. Zoals de heilige Paulus schrijft: Ipse enim est pax nostra (Ef 2, 14): Hij is onze vrede. De eenheid hangt voornamelijk van de genade van God af die ons nooit zal ontbreken, maar ook van onszelf in de mate waarin we met Jezus Christus verenigd zijn. Hij is onze vrede, Hij is de bron van onze eenheid in de Heilige Geest.

In de tweede lezing hebben wij woorden gehoord die de heilige Jozefmaria vaak heeft overwogen en hij raadde ons aan dat ook te doen: Elegit nos in Ipso ante mundi constitutionem ut essemus sancti. In Hem heeft Hij ons uitverkoren voor de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn (Ef 1, 4). Elegit nos in Ipso: in Christus; nogmaals de vereenzelviging met de Heer als dochters en zonen van God de Vader. Dat is het fundament van onze geest: te weten, werkelijk te weten dat wij dochters en zonen van God zijn. Dat is de bron van de vrede voor onze ziel en om in alle omstandigheden zaaiers van vrede en vreugde te kunnen zijn.

Het is logisch dat wij vandaag overwegen wie de Vader in het Werk is. Een van de kwaliteiten die de heilige Jozefmaria voor de Vader heeft gewild, die in de Statuta staan en die ook hier in de prelaatszetel van deze kerk gegrift zijn, is de prudentie: ik smeek jullie om de Heer deze prudentie voor mij te vragen. Verstandigheid, dat is de deugd die eigen is aan het besturen. Vraagt deze verstandigheid ook voor iedereen, want wat goed is voor de Vader, is goed voor allen. De prudentie om op ieder moment heel trouw te zijn aan de geest van het Werk, in de wisselende omstandigheden van tijd en plaats. Moge de Vader altijd de verstandigheid hebben om trouw, heel trouw te zijn aan de geest van onze Vader, aan de geest die God voor ons heeft gewild.

Een andere kwaliteit die de Vader moet hebben, is de vroomheid; hij moet iemand zijn die veel bidt. Jullie zullen je herinneren dat de heilige Jozefmaria altijd stelde dat de vroomheid ‘de remedie van alle remedies is’. Bidt daarom dat de Vader vroom is, dat jullie allemaal vroom zijn, en dat jullie met jullie vroomheid de vroomheid van de Vader steunen opdat wij allen met de Heer een eenheid vormen van hoofd, hart en intenties.

Nog een andere kwaliteit is de liefde voor de Kerk en de Paus. Heel vaak heeft de Vader, don Javier, er bij ons op aangedrongen, evenals de zalige Álvaro en de heilige Jozefmaria, veel, heel veel voor de Kerk en de Paus te bidden. Vraagt de Heer dus dat de Vader nu en altijd het motto van onze stichter: Omnes cum Petro ad Iesum per Mariam! werkelijkheid maakt. En dat wij allemaal echt heel verenigd met de Paus, nu met Franciscus, naar Jezus gaan, door Maria.

We kunnen deze kwaliteiten maar beknopt overwegen, want elk ervan zou stof leveren voor verscheidene homilieën… Een andere kwaliteit waarop de heilige Jozefmaria wees, is de liefde van de Vader voor het Opus Dei en voor al zijn dochters en zonen. Daarom vraag ik jullie voor mij te bidden, ook opdat deze woorden van de Schrift in mijn leven werkelijkheid worden: dilatatum est cor meum (vgl. 2 Kor 6,11), dat mijn hart steeds groter wordt. En dat geldt voor iedereen. De Vader, don Javier, heeft ons heel vaak gezegd: ‘Jullie moeten van elkaar houden, jullie moeten van elkaar houden!’ Wij zullen allen met elkaar verenigd zijn door een ware broederlijkheid; een broederlijkheid die uit het hart van Christus voortkomt.

Jullie zullen in een biografie of ergens anders wel gelezen hebben dat onze Vader zich in het jaar 1933 tot de Heer richtte met een gebed, dat wij ons nu ook eigen kunnen maken: ‘Heer, geef dat ik zó van U ben, dat ook de heiligste gevoelens mijn hart alleen bereiken door uw gewonde Hart!’ En zo is het: om werkelijk van alle mensen te houden, en op de eerste plaats van degenen die bij deze prachtige familie horen die God ons heeft gegeven, moeten we dat via het hart van Jezus Christus doen.

Laten we nu kort het evangelie van vandaag overwegen: het bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth. Iedere dag beschouwen wij bij de rozenkrans deze prachtige scène van de edelmoedige overgave van de allerheiligste Maagd. Moge zij ons helpen om zo te zijn, edelmoedig in het dienen, en vraagt voor de Vader dat hij ook zo mag zijn: een dienaar van allen, want het gezag is een dienst, en als het geen dienst was, zou het voor niets dienen: dat het gezag altijd een dienst mag zijn.

Het magnificat van Maria: Magnificat anima mea, Dominum. Laten wij de Heer met deze woorden van Maria loven. En als we denken aan wat Benedictus XVI ooit zei, kunnen wij dit magnificat ook begrijpen als ‘God in onze ziel groot maken’ (Benedictus XVI, homilie van 15 augustus 2005). Laten we de Heer alle ruimte geven in ons hart. Zo zullen wij ook een grote apostolische ijver hebben, een honger naar zielen, die … ik zou willen zeggen ‘ons niet laat leven’; die ons doet leven met de aandrang om voortdurend uit liefde voor Jezus Christus het welzijn van de zielen te zoeken.

Laten we Maria, de Moeder van de Kerk, de Koningin van het Opus Dei, vragen dat we heel het Werk aan haar moederlijke voorspraak toevertrouwen, opdat deze nieuwe bladzijde van onze geschiedenis met haar hulp altijd de geschiedenis van de barmhartigheid van God is en blijft. Amen.