Brief van de prelaat (december 2016)

In de brief van december schrijft mgr. Echevarría over de Advent: "Het risico bestaat dat de drukte om ons heen ons bijna zonder dat wij het beseffen in verwarring brengt en dat wij daardoor uit het oog verliezen dat de Heer heel dichtbij is".

Pastorale brieven
Opus Dei - Brief van de prelaat (december 2016)

Mijn geliefde kinderen, moge Jezus jullie behoeden!

Nu over de hele wereld het Jaar van de barmhartigheid afgesloten is, beginnen we de Advent en een nieuw liturgisch jaar. De Kerk spoort ons aan onze tocht naar de Heer te versnellen. Dit is een altijd actuele aanbeveling, die echter als voorbereiding op Kerstmis zo mogelijk nog dringender wordt.

Wij hebben in onze ziel een paar woorden gegrift staan die de komende weken volledig vullen: veni, Domine, et noli tardare[1]; kom, Heer, en wil niet talmen. We worden uitgenodigd onze blik op Christus te richten, met de herinnering aan zijn aardse geboorte in Bethlehem en in de verwachting – eveneens met vrede en vreugde – van zijn glorierijke komst aan het einde der tijden. Als deze inspanning zou ontbreken, dan zouden de bezigheden van elke dag, de monotone herhaling van bijna altijd gelijke dagen, onze dagelijkse weg misschien veranderen in een grijs bestaan, zonder reliëf, waardoor we minder uitzien naar de ontmoeting met onze Heiland.

Vandaar deze prachtige uitroep van de Kerk: Kom, Heer Jezus! Zoals de heilige Bernardus heeft uitgelegd, zit er tussen de eerste en laatste komst een adventus medius, een tussenliggende komst van Christus die ons bestaan van begin tot eind overspant. «Deze tussenliggende komst is als een pad waarover we van de eerste komst naar de laatste gaan: bij de eerste was Christus onze verlossing; bij de laatste zal Hij verschijnen als ons leven; bij deze komst is Hij onze rust en onze troost.»[2]

Bij onze voorbereiding op de naderende herdenking van de geboorte van Jezus in Bethlehem, helpen deze weken ons te ervaren hoe God op ieder moment tot ons nadert, ons verwacht in de sacramenten – in het bijzonder in die van de Boete en verzoening en van de Eucharistie – evenals in het gebed en in de werken van barmhartigheid. «Word wakker. Bedenk dat God komt. Niet gisteren, niet morgen, maar vandaag, nu. De enige ware God, “de God van Abraham, Isaak en Jacob”, is geen God die in de hemel is en zich niet voor ons en onze geschiedenis interesseert, maar Hij is de God-die-komt.»[3]

Iedere dag van deze tijd van verwachting plaatst ons heel dicht bij Maria en Jozef, ook bij Simeon, Anna en alle rechtvaardigen van het oude Verbond die verlangend uitzagen naar de komst van de Messias. Laten we diep doordringen in de hunkering van de Heer – omdat Hij zijn vreugde vindt bij de mensen[4] – die in de heilsgeschiedenis duidelijk wordt. Hoe is onze inzet om te beantwoorden? Laten we onze ogen weer vaker op de allerheiligste Maagd Maria en de heilige Patriarch richten en overwegen hoe zij iedere dag met een groeiend verlangen de geboorte van de Zoon van God hebben afgewacht. Het is logisch te denken dat hun gesprekken in de maanden die aan deze hemelse gebeurtenis vooraf gingen rond Jezus draaiden. De volgende woorden van onze Vader zijn heel actueel: Houd Jozef en Maria blij gezelschap... en je zult overleveringen horen van het Huis van David.

Je zult horen over Elisabeth en Zacharias, je zult ontroerd worden door de intens zuivere liefde van Jozef, en telkens als er gesproken wordt over het Kind dat in Bethlehem geboren zal worden, zal je hart sneller gaan kloppen...[5] Ik wil jullie voorstellen dat wij de Engel des Heren beter, dus met meer liefde bidden.

In onze tijd, die even complex als fascinerend is, bestaat het risico dat de drukte om ons heen ons bijna zonder dat wij het beseffen in verwarring brengt: dat wij daardoor uit het oog verliezen dat de Heer heel dichtbij is. Jezus geeft zich helemaal aan ons en het is niet meer dan normaal dat Hij ons veel vraagt. Dit niet begrijpen betekent de liefde van God niet begrijpen of er niet diep in doordringen.

Maar we moeten niet aan abnormale of buitengewone situaties denken. De Heer verwacht dat wij ons uiterste best doen bij het verwezenlijken van de gewone plichten die eigen zijn aan een christen. Daarom stel ik jullie voor dat deze weken – die in veel landen door een crescendo van uiterlijke voorbereidingen op Kerstmis worden gekenmerkt – op jullie weg een crescendo van ingetogenheid worden in de omgang met God en in een edelmoedige en vreugdevolle dienst aan de anderen. Te midden van de haast, van de boodschappen – of van een benarde economische situatie, die wellicht samenhangt met een zeker gebrek aan sociale zekerheid –, van oorlogen of natuurrampen, moeten wij weten dat God naar ons kijkt. Zo zullen wij de vrede van het hart vinden. Laten we, zoals de Paus een paar weken geleden zei, onze blik richten op Christus die komt en waarbij hij een bekende zin van sint Augustinus citeerde: “Ik ben bang dat Jezus langs komt” en dat ik Hem niet herken; dat de Heer voorbij komt in een van deze kleine, arme mensen en dat ik niet besef dat het Jezus is.[6]

Laten we in het bijzonder beter zorgen voor de details van vroomheid die de omgang met God intiemer en warmer maken en voor het Kind Jezus een aangenaam verblijf voorbereiden: bijvoorbeeld zonder haast het kruisteken maken, ons daarbij beschermd weten door de Drie-eenheid en gered door het Kruis; bij het bidden voor en na het eten met natuurlijkheid ingekeerd zijn; door de kniebuigingen voor het altijddurende stalletje van het tabernakel[7] de sterkte van een concreet en actueel geloof laten zien; een aalmoes vergezeld doen gaan van een glimlach; onze Moeder met liefde groeten in haar afbeeldingen als voorbereiding in deze eerste dagen van december op het Hoogfeest van haar Onbevlekte Ontvangenis… Als we ons op bepaalde dagen dor en droog voelen, zal Maria ons bloemen doen vinden vol goede geur, de bonus odor Christi[8], zoals verteld wordt over de verschijningen van Maria van Guadalupe aan de heilige Juan Diego, die we de twaalfde herdenken.

Vanaf 17 december verwachten we Jezus met nóg meer heilig ongeduld: Hij die komen moet, zal zonder uitstel komen. Geen vrees zal er meer bij ons heersen, want Hij is onze Verlosser.[9] Laten wij, wanneer we over de geboorte van Christus horen spreken, stil zijn en toestaan dat het Kind tot ons spreekt; laten we zijn woorden in ons hart griffen zonder onze blik van zijn gelaat af te wenden. Als we Hem in onze armen nemen en ons door Hem laten omhelzen, zal Hij ons de vrede van het hart geven die nooit vergaat. Dit Kind leert ons wat werkelijk belangrijk is in ons leven. Het wordt geboren in de armoede van de wereld, omdat er voor Hem en zijn familie geen plaats is in de herberg. Hij vindt onderdak en beschutting in een stal en Hij wordt in een kribbe voor dieren neergelegd. En toch komt uit dit niets het licht van de glorie van God voort.[10]

Wanneer de omgang met God deze serene en gelukzalige smaak krijgt die zo eigen is aan de stal van Bethlehem, ontstaat er om ons heen, als een rijpe vrucht, ook een intensere familiesfeer die overloopt van de vreugde die zo eigen is aan deze feesten. Daarom dringt de Kerk er bij ons op aan ons hart tijdens de Advent in een betere gesteltenis te brengen en ze spoort ons aan klachten die van weinig belang zijn te vergeten, evenals lawaai dat ons afleidt, of oppervlakkigheid van de zintuigen… Misschien houden we ons met veel zaken bezig en ontbreekt het ons aan rust in de omgang met God. Als het ons lukt deze kalmte in onze relatie met de Heer te bewaren, zullen we haar ook aan de anderen kunnen geven: als we in de kerstdagen nauwer met elkaar samenleven, zal dit ons afhouden van discussies, boosheid, ongeduld of onnadenkendheid, en zullen we graag samen tot rust komen en bidden, de tijd die we met onze familie doorbrengen bevorderen, vooroordelen of kleine wraakgevoelens die misschien in onze ziel zijn blijven hangen weghalen.

We hoeven ons geen zorgen te maken als we ondanks onze goede wil bij het bidden soms overvallen worden door verstrooiingen. Maar we moeten wel strijden om de nodige bovennatuurlijke en menselijke sterkte te verwerven om ze van ons af te zetten. Laten we met volharding het verlangen hernieuwen om in ons binnenste een levend stalletje te bouwen waar we Jezus opnemen, op basis van tijden van gebed bij het stalletje, ook als we soms de indruk hebben dat we er met ons hoofd niet bij zijn. Bedenk dan dat de heilige Jozefmaria niet ontmoedigd raakte als hij zich zo op sommige momenten voor de Heer zag. In 1931 noteerde hij: ik ken een ezeltje dat in zo’n slechte conditie is dat het, als het in Bethlehem naast de os had gestaan, het hooi van de kribbe had opgegeten, in plaats van de Schepper vol nederigheid te aanbidden.[11] Daarom vervult het mij van vreugde dat in veel landen de christelijke gewoonte om een stalletje in huis op te zetten steeds meer voorkomt.

Vergeet de mensen niet die in deze dagen eenzaam zijn of bepaalde noden hebben en die wij op de een of andere manier kunnen helpen, in het besef dat wijzelf de eersten zijn die hierdoor begunstigd worden. Tracht familieleden, vrienden, buren, collega’s met deze zo christelijke zorg aan te steken: wat een mooi christelijk gebaar is het bijvoorbeeld van sommige gelovigen van het Werk die een paar avonden iets te eten en te drinken aanbieden aan daklozen en dat van anderen die over de nachtrust van de burgers waken.

Voordat ik deze regels beëindig, wens ik opnieuw de Paus te bedanken voor de genegenheid die hij me heeft bewezen bij de audiëntie van 7 november jl. en voor de zegen die hij aan de gelovigen en de apostolaatswerken van de Prelatuur heeft gegeven. Blijft bidden voor zijn persoon en zijn intenties met de zekere hoop dat Jezus Christus op het komende kerstfeest zijn gaven overvloedig uitstort over de Kerk, de Paus en de hele wereld.

En laten we tijdens de dagen van de noveen tot de Onbevlekte Ontvangenis als een goed kind onze toevlucht nemen tot Maria. We mogen de heilige trots voelen dat wij kinderen zijn van zo’n goede Moeder, die ons door wat ze doet – zoals de heilige Jozefmaria opmerkte – oog in oog met Jezus plaatst. Deze omgang met haar zal ons er ook toe aanzetten met vreugde dichter bij de zieken te zijn. Blijft de liefde en vaderlijke nabijheid overwegen waarmee onze stichter ons al bij het eerste kerstfeest in de geschiedenis van het Werk vergezelde: hij was alleen met God, met Maria en Jozef; en met ieder van zijn dochters en zonen die bij het Opus Dei zou komen.

Met alle genegenheid zegent jullie, en vraagt jullie meer gebed, meer trouw,

jullie Vader

+ Javier

Rome, 1 december 2016

_____________________________________________________________________

Copyright © Prælatura Sanctæ Crucis et Operis Dei



[1] Brevier, vespers van de eerste zondag van de Advent, Gebeden.

[2] Sint Bernardus, Redevoering 5 over de Advent, 1 (Brevier, woensdag in de 1e week van de Advent, tweede lezing).

[3] Benedictus XVI, Homilie, 2-12-2006.

[4] Vgl. Spr. 8, 31 (Vulg).

[5] Heilige Jozefmaria, De heilige Rozenkrans, tweede blijde geheim.

[6] Paus Franciscus, Toespraak bij de algemene audiëntie, 12-10-2016 (vgl. Sint Augustinus, Preek 88, 14, 13).

[7] Heilige Jozefmaria, “Noticias” 12-1938 (AGP, sec. A, leg. 3, carp. 3), gecit. In “De Weg. Kritisch-historische uitgave” (uitg. Pedro Rodríguez, Rialp, 3e ed., Madrid 2004, blz. 1051.

[8] 2 Cor 2, 15.

[9] Romeins Missaal, 19 december, Introïtus (vgl. Hebr 10, 37).

[10] Paus Franciscus, Preek, 24-12-2015.

[11] Heilige Jozefmaria, Intieme aantekeningen, nr. 181 (25-3-1931). Gecit. In J. L. Soria ”Leermeester van goed humeur”, Rialp, 3e dr., Madrid 1994, blz. 91.