Paus Franciscus: "Wij kunnen heilig zijn"

"Heilig zijn in het dagelijks leven", aldus de paus tijdens de algemene audiëntie op 21 juni, "kan door heel de dag je plicht te doen: bidden, gaan werken, voor de kinderen zorgen. Het komt erop aan alles te doen met het hart gericht op God."

Van de paus

Dierbare broeders en zusters, goedendag!

1. Op de dag van ons Doopsel heeft over ons de aanroeping van alle Heiligen geklonken. Velen van ons waren toen kinderen, op de arm gedragen door de ouders. Even voor de zalving met de Catechumenenolie, symbool van Gods kracht in de strijd tegen het kwaad, heeft de priester de verzamelde gemeenschap opgeroepen, door de aanroeping van de heiligen, te bidden voor hen die gedoopt werden. Dat was de eerste maal in ons leven dat ons het gezelschap van de “oudere” broers en zussen werd geschonken – de heiligen – die onze weg hebben afgelegd, die dezelfde vermoeidheid hebben gekend en die voor altijd leven in de omhelzing van God. De brief aan de Hebreeën omschrijft dit gezelschap dat ons omringt met de woorden “menigte getuigen” (Hebr. 12, 1). Dat zijn de heiligen: een menigte getuigen.

"Het christelijk leven geen onbereikbaar ideaal"

2. In de strijd tegen het kwaad wanhopen de christenen niet. Het christendom cultiveert een ongeneeslijk vertrouwen: het gelooft niet dat de negatieve en vernietigende krachten kunnen overwinnen. De haat heeft niet het laatste woord in de geschiedenis van de mens, niet de dood, niet de oorlog. Op elk ogenblik van het leven steunt ons de hand van God, en ook de bescheiden aanwezigheid van alle gelovigen “die ons in de dood zijn voorgegaan getekend met het geloof”.[1] Hun bestaan zegt ons op de eerste plaats dat het christelijk leven geen onbereikbaar ideaal is. Tegelijk is het een bemoediging: we zijn niet alleen, de Kerk bestaat uit talloze broeders, vaak naamloos, die ons zijn voorgegaan en die door de werking van de heilige Geest betrokken zijn bij de lotgevallen van wie nog hier beneden leeft.

"De aanroeping van de heiligen is een bron van vertrouwen voor de twee jonge mensen die vertrekken voor de “reis” van het huwelijksleven."

3. De aanroeping van de Heiligen bij het Doopsel is niet de enige op de christelijke levensweg. Wanneer twee verloofden hun liefde bezegelen met het sacrament van het Huwelijk wordt opnieuw over hen – nu als paar – de aanroeping van de heiligen uitgesproken. Die aanroeping is een bron van vertrouwen voor de twee jonge mensen die vertrekken voor de “reis” van het huwelijksleven. Wie echt bemint heeft het verlangen en de moed om te zeggen “voor altijd” – “voor altijd” – wetende dat men nood heeft aan de genade van Christus en aan de hulp der heiligen om het huwelijk voor altijd te kunnen beleven. Niet zoals sommigen zeggen: “zolang de liefde duurt”. Neen: voor altijd! Anders is het beter niet te trouwen. Voor altijd of niet. Daarom wordt in de huwelijksliturgie de aanwezigheid van de heiligen ingeroepen. Op moeilijke ogenblikken moet men de moed hebben de ogen ten hemel te richten, denkend aan de vele christenen die kwellingen hebben doorstaan en hun doopkleed onbesmet hebben bewaard door het te wassen in het bloed van het Lam.[2] zoals het boek van de Openbaring zegt. God verlaat ons nooit: telkens als we het nodig hebben komt een van zijn engelen om ons op te richten en ons te troosten. “Engelen” met soms het gelaat en het hart van een mens, want de heiligen van God zijn altijd hier, verborgen in ons midden. Dat is moeilijk te verstaan en zich voor te stellen, maar de heiligen zijn aanwezig in ons leven. En als iemand een heilige – man of vrouw – aanroept, dan is dat omdat die ons nabij is.

Ook de priesters koesteren de herinnering aan een aanroeping van de heiligen over hen. Het is een van de ontroerendste momenten in de liturgie van de wijding. De kandidaten gaan op de grond liggen met het gezicht naar de aarde. En heel de gemeenschap onder leiding van de bisschop roept de heiligen aan. Een mens zou verpletterd worden door het gewicht van de zending die hem wordt toevertrouwd, maar, voelend dat heel het paradijs achter hem staat, dat Gods genade niet zal ontbreken omdat Jezus altijd trouw is, kan men vertrouwvol en gesterkt op weg gaan. We zijn niet alleen.

4. En wat zijn wij? Stof dat naar de hemel streeft. Zwak zijn onze krachten, maar sterk het geheim van de genade dat in het leven van de Christenen aanwezig is. We zijn trouw aan de aarde die Jezus elk ogenblik van zijn leven heeft bemind. Maar we weten en hopen op de gedaanteverandering van de wereld, op haar uiteindelijke voltooiing, wanneer er geen tranen meer zullen zijn, geen kwaad en geen lijden.

"Heilig zijn in het dagelijks leven kan door alles te doen met het hart gericht op God."

5. Dat de Heer aan ons allen de gave van de hoop schenkt heiligen te zijn. Maar iemand van jullie zou mij de vraag kunnen stellen: “Padre, kan men in het dagelijks leven heilig zijn?” Ja, dat kan. “Maar betekent het dat we de hele dag moeten bidden?” Neen, het betekent dat je heel de dag je plicht moet doen: bidden, gaan werken, voor de kinderen zorgen. Het komt erop aan alles te doen met het hart gericht op God. Zo kan men heilig worden. Dat de Heer ons de genade schenkt heiligen te zijn. Laten we niet denken dat dit een moeilijke zaak is, dat het makkelijker is misdadigers te zijn dan heiligen. Neen. Men kan heilig zijn omdat de Heer ons helpt; Hij is het die ons helpt.

Dit is het grote geschenk dat ieder van ons aan de wereld kan geven. Dat de Heer ons de genade schenkt zo diep in Hem te geloven dat we voor deze wereldbeeld van Christus worden. Onze geschiedenis heeft nood aan “mystici”: mensen die elk heersen weigeren, die streven naar naastenliefde en broederlijkheid. Mannen en vrouwen die leven met aanvaarding van een dosis lijden, omdat ze de lasten van anderen op zich nemen. Zonder deze mannen en vrouwen zou de wereld geen hoop hebben. Daarom wens ik voor jullie – en wens ik ook voor mij – dat de Heer ons de hoop geeft heiligen te zijn. Dankjewel.

Overgenomen van RK Documenten.


[1] Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Editio typica tertio emendata 2002/2008, Missale Romanum (6 okt 2008). Romeins Canongebed.

[2] Vgl. Openb 7, 14. Ik antwoordde hem: “Heer, dat weet gij.” Toen zei hij: “Dat zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam.